In de schaduw van het succes:
de inspanningsfysioloog

Artikel gepubliceerd in het weekblad Draf&Rensport nr.5 van 2-2-2024,
met toestemming overgenomen, waarvoor dank.


Titel: 'Herstel bepaalt de belastbaarheid'


Het winnen van een koers is het resultaat van de inspanningen van velen
die vaak in de schaduw van het succes opereren. Het blad Draf&Rensport
wil weten wie deze mensen zijn en wil hun verhaal optekenen.
Ditmaal gaat het over de inspanningsfysioloog.
We spraken met dr. Carolien Munsters.

Wat is inspanningsfysiologie? Het is de wetenschap die zich bezighoudt met het meten van de invloed van lichamelijke inspanning en prestatie. De leer hoe het meten en interpreteren van fysieke capaciteiten je kan helpen je fitnessdoelen te bereiken en je algehele gezondheid te verbeteren, zowel humaan (de lezer dus) als paard.
In de draf- en rensport gaat het om snelheid. Wie de snelste is over een bepaalde afstand wint de koers. Van alle paardensporten is onze sport het meest gericht op kracht- en snelheidstraining. In de zoektocht naar meer informatie (en vooral ook geholpen door dierenarts Astrid Bos van Paardenkliniek Emmeloord, waarvoor dank) vonden we Equine Integration. Het is een bedrijf dat ruiters, coaches en trainers adviseert.

Boven: Dr. Carolien Monsters is inspanningsfysioloog, ze past haar kennis toe op paarden.


Carolien Munsters
Partner in Equine Integration is dr. Carolien Munsters (1983), een Brabantse spraakwaterval uit Erp en bijna buurvrouw van Anky van Grunsven. Equine Integration is in 2021 opgericht door Carolien Munsters en Chris Sorensen. Munsters: "In 2010 ben ik gestart met Moxie Sport. lk wilde mijn kennis op het gebied van sportfysiologie inzetten ter bevordering van de trainingen en prestaties van sportpaarden. Ik heb veel ervaring als ruiter en heb diverse jonge paarden opgeleid tot nationaal niveau (dressuur, springen en eventing). lk vind het een uitdaging om mijn ervaring en wetenschappelijke kennis te vertalen naar de praktijk, zodat sporters en coaches er daadwerkelijk mee aan de slag kunnen. In 2006 heb ik de master (medische) Biologie behaald aan de Radboud Universiteit. Dat was dus geen veterinaire, maar een humane opleiding waarbij ik al studies deed in paardenonderzoek. In 2013 ben ik gepromoveerd in de sportfysiologie van het paard aan de faculteit Diergeneeskunde (Equine Science) van de Utrecht Universiteit. Met Equine Integration heb ik al veel topsporters mogen begeleiden en geholpen hun trainingen te optimaliseren. Zo ben ik vele jaren officieel adviseur van het Olympisch Eventing Team geweest en begeleiden we nog steeds veel Olympische ruiters zowel in de eventing, dressuur als het springen. lk begeleid de ruiters bij de fysieke training van hun paard door middel van fitheidstesten en specifieke trainingsprogramma's. Ik monitor de trainingen en wedstrijden, analyseer de resultaten en evalueer deze met de ruiters, zodat ze hun trainingen kunnen optimaliseren. Daarnaast vind ik het leuk om als docent praktijkkennis over te dragen op andere ruiters, trainers en dierenartsen. Ik verzorg vanuit Equine Integration diverse cursussen op het gebied van sportfysiologie en geef trainingen en lezingen. Naast diverse onderwijsbevoegdheden, ben ik geregistreerd als erkend CRKBO-docent en is een aantal cursussen geaccrediteerd door de KNHS.
Sinds een aantal jaren ben ik als founding partner ook betrokken bij de Sporthorse Welfare Foundation, die zich bezig houdt met wereldwijd onderzoek doen en samenwerken met professionals naar het welzijn van sportpaarden (op het gebied van fysiologie, voeding, biomechanica, gedrag en revalidatie). Sporten met paarden is prima, maar hoe doe je dat en onder welke voorwaarden. Het gaat hierbij om een vertaling van de wetenschap naar de praktijk. Er is recent een groot onderzoek gedaan naar professionals die betrokken zijn bij de warmbloedpaarden die aan de Olympische spelen meedoen. Vragen die behandeld worden zijn: wat is essentieel voor het welzijn van sportpaarden. Wat is er aan kennis en wat zijn de hiaten. Het doel is om te bewerkstelligen dat de maatschappij de paardensport gaat begrijpen en accepteren. Maar ook: wat vindt de sport zelf t.o.v. de wetenschappers."

Welzijn van het paard
De vragen waar Carolien zich dagelijks mee bezighoudt zijn: hoe reageert het lichaam op inspanning/training? Hoe past het lichaam in de vorm van spieren, botten en pezen zich aan? Hoe meet je fitheid en coordinatie?
Carolien: "We vertalen onze informatie naar het maken van trainingsprogramma's op basis van hoe het lichaam werkt. Een inspanningsfysioloog is ook een data scientist: dat betekent het verzamelen en analyseren van data die beschikbaar zijn door technologie. Er zijn wel 25 parameters in de training en elk jaar komen er weer andere parameters bij." Ze vervolgt: "Je kijkt naar het individu, maar ook naar de groep. Om te meten of een paard fit is kijk je naar de wijzigingen in de parameters en je vergelijkt ze met een groep die op hetzelfde niveau traint of van dezelfde leeftijd of discipline is. We ontleden fysieke eigenschappen van paarden door het maken van algoritmes om alle informatie te verwerken, meer inzicht te creeren en er programma's mee te maken. Naast de theorie moet het ook allemaal in de praktijk kloppen. Zo zijn er indicatoren voor blessures en zijn de voorspellende waardes `evidence based', dus gebaseerd op metingen en peer-reviewed wetenschappelijke artikelen (van collega's dus). We moeten ervoor zorgen dat je de data kunt blijven interpreteren.
Wat is de zin en de onzin van alle metingen? We kunnen hier nog grote stappen maken, met name op basis van het welzijn van het paard. En we moeten zeker niet alleen maar overal sensoren aan hangen." Informatie hebben is leuk, maar wat kan je ermee doen en hoe moet je vervolgens de training erop aanpassen, is essentieel.

Meten is weten
Carolien Munsters werkt veel met hartslagmeters, een gps-tracker, maar ook met een zogenaamde accelerometer, waarmee onder andere versnelling, paslengte en pasfrequentie kunnen worden gemeten. Munsters: "We kunnen niet sneller gaan dan de trainers kunnen verwerken. De techniek is erg ver ontwikkeld en moet vertaald worden naar de dagelijkse praktijk. Welke parameters zijn van belang zodat de trainer met die informatie ook iets kan. Van een aantal dingen weten we zelf nog niet wat dit nu eigenlijk betekent en hoe je dit correct interpreteert naar het individu of de praktijk, daarvoor is eerst nog meer onderzoek nodig."

Drafsport
Paul Hagoort gaf onlangs in een interview aan ook veel te meten, zoals hartslag, ademhaling en lactaat, maar als je 70 paarden in training hebt en je krijgt per paard een stortvloed aan informatie dan zie je uiteindelijk door de bomen het bos niet meer. Alle informatie moet vervolgens geinterpreteerd worden en vertaald naar een trainingsprogramma.
Vraag aan Munsters: Waarom heb je je nooit bemoeid met dravers en volbloeds? Antwoord: "De vraag kwam vooral uit Olympische disciplines. Ik heb nooit de tijd gehad om actief naar de draf- en rensport te kijken. Maar dat neemt niet weg dat de basisprincipes voor alle (sport) paarden, dus ook dravers en renpaarden, gelijk zijn. Ik ben wel eens bij Wim Duivenvoorden in Deurne geweest en ook beperkt wel eens bij een aantal andere draf- en rentrainers. Veel dravertrainers werken de paarden in groepen. Dat is weliswaar begrijpelijk, maar eigenlijk moet je op individueel niveau trainen. Het is een grote puzzel om te weten wat een paard vandaag nodig heeft, morgen nodig heeft, maar ook op de lange termijn. De trainers doen ook heel veel op gevoel. Als je een bepaald systeem hanteert dat hetzelfde is voor de hele groep betekent dat een beetje simpel gezegd dat het voor 33% van de paarden mogelijk te weinig arbeid is of te licht qua intensiteit, voor 33% genoeg en voor 33% te veel. Daardoor neem je voor lief dat een deel niet optimaal getraind wordt en er paarden uitvallen. Hier valt nog veel winst te behalen:"

Voeding
Voeding is vaak een ondergeschoven kindje, maar is super belangrijk. Carolien Munsters werkt hiermee samen met Dr. David van Doorn (Anivado) en constateert dat bij elke stal waar ze geweest is de voeding nog verder geoptimaliseerd kon worden. "Dat beperkt zich niet alleen tot wat in het voer zit - de ingredienten, vitaminen en mineralen analyse, calcium/fosfor verhouding - maar ook tot het management (hoeveelheid, tijdstippen van voeren en ruwvoer analyses). We weten vaak niet helemaal wat precies in het paard gaat, maar zo doen we het nu eenmaal altijd. Een mooi voorbeeld is dat een paard nooit langer dan 4 tot 6 uur zonder ruwvoer mag zijn omdat te lang zonder ruwvoer betekent dat de kans op maagzweren enorm toeneemt. Maar als je om 17.00 uur voor het laatst hooi geeft en dat is om 21.00 uur op, dan moet uw viervoeter vasten tot de volgende morgen tot hij weer wat krijgt en is de kans zeer groot dat hij maagzweren of andere gerelateerde problematiek ontwikkelt. Voor mij is de totaalblik essentieel: wat krijgt hij te eten, wanneer, hoeveel vrije beweging is er, wat is de dagelijkse trainingslast, hoe wordt er gereisd, hoe is de biomechanica. De combinatie van alle aspecten van de puzzel zorgt voor de meerwaarde."

Veulens
De `training' van een prestatiepaard begint eigenlijk al meteen na de geboorte. "We zijn allemaal op zoek naar een paard met uithoudingsvennogen, een top coordinatie, snelheid, explosiviteit en een goed karakter. De eerste maanden in het leven van een veulen zijn cruciaal. In de eerste vijf maanden is vrije beweging en het kunnen sprinten essentieel, uiteraard op een volledig natuurlijke manier, maar hij moet wel de ruimte hebben. Op die leeftijd is het lichaam namelijk nog heel erg ontvankelijk voor belangrijke positieve prikkels van het weefsel om het zo sterk mogelijk te maken. Het kraakbeen en peesweefsel zijn voornamelijk tot 18 maanden het meest ontvankelijk om die prikkels te verwerken en dit vertaalt zich in goed ontwikkeld kraakbeen en goed aangelegd peesweefsel. Paarden moeten kunnen sprinten, spelen, rennen, het liefst 24 uur per dag, om deze weefsels zo goed mogelijk aan te leggen. Wordt de beweging in de eerste 18 maanden beperkt dan is er een risico dat het weefsel niet optimaal is aangelegd en dus ook minder belastbaar is op latere leeftijd.
Daarnaast lijkt het gunstig te zijn om op verschillende bodems vrije beweging te kunnen geven, om onder andere zo een goede motoriek aan te leren. Zo zijn de botten in de benen van het paard ongeveer na 24 maanden voltooid (de andere botten groeien nog iets ]anger door) en leg je het fundament voor de latere carrière. Paarden moeten zo min mogelijk op stal staan, maar kunnen beschikken over die vrije beweging en de mogelijkheid tot sprinten. Echter teveel sprinten in de eerste 2 jaar is ook niet gunstig omdat ze dan niet voldoende kunnen herstellen. Dit blijkt uit onderzoek waar ze jonge paarden actief een aantal keer per week lieten sprinten. Herstel is net zo belangrijk en sprinten is goed, maar te vaak en te veel ook niet. Dus ga ook niet actief te veel of te vaak per week op hoge snelheid het paard laten sprinten op die leeftijd. Het gaat om de balans. Daarnaast zijn goede voeding en beweging sterk gerelateerd aan een goede botkwaliteit. Ik adviseer ook goed te analyseren wat voor voedingsmiddelen er in het gras zitten, in combinatie met het ruwvoer. Mijn ervaring is dat daar veel te weinig naar gekeken wordt, terwijl dit van opgroeiende veulens tot tweejarige en ook oudere paarden het hoofdbestanddeel is van hun voeding. Een loopstal met nauwelijks uitloop is volstrekt onvoldoende. Ze moeten de ruimte hebben om te kunnen galopperen, minimaal 70 meter. Wat je mist als veulen en in de ontwikkeling tot 24 maanden kun je later vaak niet meer inhalen. Ook al is het paard genetisch super, het geraamte en de weefsels hebben dan toch een lagere belastbaarheid hierdoor."

Boven: `In de eerste vijf maanden is vrije beweging en het kunnen sprinten essentieel,
uiteraard op een volledig natuurlijke manier, maar hij moet wel de ruimte hebben.'


Training
Over trainen en pieken meldt Carolien het volgende: "Een lichaam van een jong paard wordt beter van actief herstel, met rustige vrije beweging in de paddock of stapmolen. Door training daalt theoretisch eerst je `fitheid', want na de training ben je moe. Ga zelf maar eens hardlopen of naar de sportschool. Direct erna ben je meer moe dan voor de training. Herstel zorgt ervoor dat het lichaam zich kan gaan aanpassen en je bij de volgende training er beter tegen kan dan voor de herstelfase. Herstel van spieren, pezen en botten bepaalt de belastbaarheid. Soms zijn eigenaren en trainers zo bang voor blessures dat ze te weinig gaan trainen waardoor de belastbaarheid van het paard daalt. Echter leidt dat juist soms tot blessures als ze dan wel de wedstrijden of koersen lopen die een hoge belastbaarheid van het lichaam vragen. Het lichaam is dan eigenlijk niet klaar voor de gevraagde belasting. Daarom is het voor de jonkies goed om om de dag of om de 2 dagen te trainen, waardoor er ruimte is voor actief herstel op de dag na de inspanning. Als je veel snelwerk doet, dan krijgen de botten ook microtrauma's en zullen daarvan moeten herstellen. De tijd tussen trainingen van 1 tot enkele dagen is hiervoor te kort. Bot en peesweefsel heeft langere tijd nodig om te herstellen van piekbelastingen. Daarom moet je soms meerdere weken minimaal twee tot drie weken herstel nemen voor de botten, die hebben langere tijd nodig. Botherstel gaat niet gelijk op met de zachtere weefsels. Te lang herstel is ook weer niet gunstig want dan neemt de belastbaarheid van het botweefsel ook weer af. Het is dus soms best een puzzel om de meest gunstige situatie te zoeken per weefsel en per individu. Als de trainingslast wordt opgevoerd is het van belang om dit heel geleidelijk te doen, nooit en/en, maar of/of. Blessures ontstaan omdat te snel te grote stappen gemaakt worden. Bij de verhoging van de snelheid moet de duur naar beneden. Een verhoging van twee factoren is meer dan het lichaam gewend is. De stapjes moeten geleidelijk en individueel zijn. Daar zit de kracht van monitoren om te zien welke stappen een paard daarin maakt. Daar is veel winst te behalen. Bij Olympische teams doen we een dagelijkse meting van fysiologische waarden in combinatie met afstand en snelheid en monitoren we hoe de beweging van het paard verandert, want als je moe wordt ga je compenseren in beweging of houding van het lichaam. Staat een wedstijd gepland, dan gaan we vervolgens terugtellen en naar mate de wedstrijd of race dichterbij komt moet je juist minder gaan doen zodat het lichaam optimaal kan herstellen voor de belasting op de wedstrijd. Na een zware training voelt je paard dat de volgende dag, net als bij mensen. Dit kun je meten en in kaart brengen. Hetzelfde geldt als een paard naar de hoefsmid is geweest en de stand van de voet net iets is aangepast. In combinatie met dan net een zware of snelheidstraining kan dit tot overbelasting leiden. We zijn veel meer in staat om preventief blessures te voorkomen door voortdurend te meten. Een minimale aanpassing kan soms al voldoende zijn voor grote progressie en omgekeerd. Lastig is echter: hoe meer je weet, des te meer vragen je krijgt. Ik zie dat alleen maar als positief want hierdoor kunnen we blijven leren hoe we het nog beter kunnen doen. Het correct blijven interpreteren van de data is essentieel in combinatie met de informatie van ruiter, groom en trainer om de goede keuzes te maken."

Optimale fitheid
Helaas, er is geen unieke zaligmakende wijze om optimale fitheid te krijgen. Om te beginnen zijn voor iedereen de omstandigheden anders. Daarnaast kun je eindeloos variëren in ondergrond, intensiteit, frequentie, duur en snelheid en is elk individueel paard anders. Vele wegen leiden naar Rome. Door te meten kom je wel achter diverse fysieke eigenschappen van het paard zoals bijvoorbeeld het anaerobe omslagpunt (het moment waarop verzuring sterk toeneemt) en bijvoorbeeld zijn herstelwaarden. "Als een paard van trainer verandert zijn in de eerste 6 weken de kansen op blessures het grootst. Een paard moet wennen aan andere trainingsmethoden, ondergrond, voeding en stalmanagement. Zoveel mogelijk hetzelfde houden en geleidelijk deze aanpassingen maken is dus essentieel. Meten van effect op verandering is cruciaal om te weten waar je paard het beste op reageert. Zo kun je blessures het beste voorkomen. Een voorbeeld is een fitheidstest onder eventing paarden: 50% viel af door een langdurige blessure omdat deze paarden onder de gemiddelde fitheid zaten maar wel op hetzelfde niveau moesten presteren tegenover en 0% van de fitte paarden. Als paarden niet fit zijn voor de gevraagde arbeid zie je enorme uitval en blessures. Bij fitheid neemt de kans op blessures sterk af. In het kader van dierenwelzijn is het niet meer te verkopen wanneer je maar eenmaal in een carrière piekt, waarbij diverse weefsels zodanig over hun grens van belastbaarheid gaan, dat het paard erna er niet meer voldoende van kan herstellen. Dit gaat ten koste van het dier, zowel mentaal als fysiek. Een dier moet zijn prestatie kunnen herhalen en dus in staat zijn om de gevraagde arbeid, in welke zin dan ook, aan te kunnen. Hij moet dus fit zijn voor de gevraagde arbeid in de brede zin van het woord (niet alleen conditioneel, maar ook qua belastbaarheid en mentaal). In de eventing gingen in 2022 diverse paarden dood ten gevolge van de wedstrijd. Dat is maatschappelijk niet acceptabel meer en dat zijn dingen waar we als sport over na moeten denken hoe we dat beter kunnen gaan doen."

Blessures
Ondanks de beste begeleiding ontstaan helaas toch sons blessures. Wat heeft de wetenschap hierop te zeggen? "Als er weefselschade is, heeft dat altijd tijd nodig om te herstellen. We zien in de praktijk dat de halfwaardetijd van medicijnen soms leidend is om weer te gaan trainen, maar weten we of het weefsel echt hersteld is en klaar is om opnieuw vol te gaan belasten? Het blijft lastig om dit goed in te schatten, maar ook hier kan monitoring we] helpen om grip te krijgen op wat normaal is voor het paard, zowel qua beweging, mate van asymmetrie en fysiologische parameters. Aan de buitenkant of op gevoel is het lastig om dit goed in te schatten, een paard zal namelijk altijd blijven compenseren. De een meer dan een ander. We proberen dan de asymmetrie op te sporen en te kijken samen met dierenartsen wat dit veroorzaakt. We doen biomechanische metingen: met accelerometers en automatic image recognition van sleip.com. Met een app op de telefoon kun je - uiteraard met AI - de beweging van het paard analyseren en beter monitoren hoe de beweging verandert. Dit kan uiteraard ook weer veel vragen opleveren, en je hebt ook echt de dierenarts nodig om dit correct te interpreteren. Het moet vooral een aanvulling zijn op de expertise van trainer en dierenarts en geen vervanging ervan. Data moet je houden langs kennis, expertise en gevoel. We moeten open staan voor nieuwe indrukken, er zijn zoveel variabelen waar je rekening mee moet houden. Data gebruiken naast je gevoel en praktijkervaring, dat levert echt meerwaarde op. Je moet nooit blind alleen op data sturen, want er zijn altijd aspecten die je nooit met data zal kunnen vangen. Het is ook een gevoelsport in combinatie met wat je kunt meten."

Oververhitting voorkomen
Onderbelicht in de sport is thermoregulatie (het vermogen van een organisme om de lichaamstemperatuur te handhaven): er zijn grote individuele verschillen hoe paarden omgaan met hitte. "We meten hoe hitte-tolerant ze zijn door acclimatisatie (op tijd naar de sportlocatie) of koelingstechnieken. We hebben veldonderzoek gedaan met internationale topsportpaarden en toen bleek dat pre-coolen al effect heeft bij 17/18 graden Celsius. Je ziet het veel in de Tour de France waar fietsers met icepacks herstellen. De kerntemperatuur, die soms wel 39 - 40 graden Celsius of hoger kan halen, naar beneden brengen heeft dus al effect bij lagere temperaturen. Dit betekent bakken ijsklontjes oplossen en soms wel 10 emmers over hals en billen gooien. Dit moet je dan een paar keer herhalen tussen de warming up en de wedstrijd of koers. De koeling duurt maar enkele minuten en niet bijvoorbeeld een kwartier. In combinatie met ventilatoren kan het ook als de luchtvochtigheid heel hoog is."

Mentale gezondheid
Tot slot het mentale gedeelte. Munsters: "Naast het lichamelijke gedeelte is ook het mentale aspect van belang. We streven ernaar dat een paard leert stressvrij te trainen, door stapsgewijs het werk te introduceren en trainen niet te associëren met stress en spanning. Dus neem de tijd. Gebruik de leertheorieën en neem kennis van de wetenschap rondom het gedrag van een paard. Veel variatie is voor een paard moeilijker, hij houdt van voorspelbaarheid: ze willen zeker een inspanning leveren, maar ook omdat ze weten dat het stopt en niet oneindig doorgaat. Een paard weet niet op voorhand wat jij voor trainingsinvulling bedacht hebt dus probeer hier ook voorspelaar in te zijn, vooral als het gaat om hoog intensief werk. Maar houd het ook wat flexibel en afwisselend voor je paard zodat ze hierin ook gemotiveerd blijven."
Dat geldt overigens niet alleen voor paarden...


Verder lezen:
https:llwww.equineintegration.com
https://sleip.com

© Copyright Fokkersvereniging