De gevaren voor jonge veulens

door drs. Jan Kraak, dierenarts
en bestuurslid Fokkersvereniging

Artikel gepubliceerd in het weekblad Draf&Rensport nr. 36 van 08-09-2011,
met toestemming overgenomen, waarvoor dank.


Titel: Het veulen tussen 4 en 6 maanden


Bij het opgroeiende veulen is iedere fase belangrijk en heeft deze zijn eigen kenmerken.
Dat geldt zeker voor de leeftijd tussan 4 en 6 maanden. Dat is de periode waarin de van de merrie
verkregen anti-stoffen verdwenan zijn en het veulen zijn eigen immuniteit moet gaan opbouwen.
Daarnaast is het de periode waarin het veulen gespeend wordt van de merrie.

Met betrekking tot de afgenomen maternale immuniteit kijken we naar een drietal zaken:

1: De mogelijke wormbesmetting.
Op genoemde leeftijd moeten we speciaal letten op de grote strongryliden en de grote spoelwormen. Beide soorten vormen immuniteit bij het oudere paard omdat stadia van deze soorten zich qua plaats niet beperken tot het darmkanaal. Van de grote strongyliden is vooral de Str. Vulgaris (1 tot 4 cm) de meest voorkomende en meest pathogene. Larven van deze worm gaan via de darmwand naar de wand van de grote darmslagader en veroorzaken daar ontstekingen en mogelijk een verdikking van deze wand. Soms ontstaat echter ook een enorme verwijding van de darm, die we een aneurisma noemen. Tijdens de migratie van de larven en op het toppunt van de ontsteking van de darmwand, vaak 3 4 maanden later, kunnen we ernstige koliekverschijnselen zien. Daarnaast kunnen we de spoelworm, die er uit ziet als een lange spagetti-sliert (tot wel 50 cm ), op de mest aantreffen, Van deze worm gaat het infectieuze stadium vanuit de darm via het bloed naar de lever en vervolgens naar de longen. Het volgende larvale stadium wordt opgehoest, doorgeslikt en komt weer in de darm terecht. Tijdens het `longstadium` gaan de veulens hoesten en is er neusuitvloeiing. Ze krijgen een doffe en ruwe vacht, vermageren maar kunnen wel een dikke buik hebben. Koliek kunnen de veulens krijgen wanneer er zo veel wormen in de darm zitten dat er een kluwen ontstaat die een verstopping veroorzaakt. Op "goed gevoel" ontwormen heeft geen zin en werkt resistentie tegen de beschikbare middelen in de hand. Men bezigt tegenwoordig de term `3 D`, daarbij gaat het om diagnostiek, dosering en deskundig advies. Dat kan u veel geld besparen en het veulen veel narigheid.

2: Influenza.
Binnen 24 uur na de geboorte krijgen de veulens een voldoende hoeveelheid antistoffen met de eerste melk mee. In de volgende 5 6 maanden neemt deze hoeveelheid flink af en is het veulen inmiddels oud genoeg om zelf antistoffen aan te maken na vaccinatie. De vaccinatie moet zowel tegen influenza als tetanus gegeven worden. Het vaccinatieschema is meestal als volgt: 1 ste vacc. op 6 maanden, 4 weken later de tweede en de daarop volgende vaccinatie na nog eens 6 maanden. Vervolgens ieder jaar. Eventuele vaccinatie tegen Rhinopneumonie moet in stalverband gegeven worden in samenspraak met uw dierenarts.

3: De bacterie Lawsonia intracellularis.
Besmettingen met deze bacterie komen gelukkig niet vaak voor, maar de indruk bestaat dat er wel een toename is en veel veulens overleven dit niet. De bacterie, die bij veel diersoorten gevonden is, veroorzaakt bij gespeende veulens en mogelijk ook bij jaarlingen een ernstige ontsteking van de dunne darm. De veulens hebben koorts, zijn lusteloos en vermageren. Het bloedbeeld geeft een eiwittekort aan. In sommige gevallen hebben ze oedeem onder aan de buik, aan de achterbenen en kaaktakken en in een later stadium ook waterige diarree. Waar komt deze bacterie vandaan? Een feit is dat op veel varkensbedrijven deze bacterie voor komt en kan het uitrijden van varkensmest op weilanden de grond besmetten. Hoewel de bacterie in de mest maar 2 3 weken overleeft bestaat tegenwoordig het idee dat de bacterie toch in de bodem langere tijd kan overleven. (Hetgeen ook voor de besmettelijke en beruchte rhodococcus bacterie geldt) Uitwerpselen van andere met deze bacterie besmette diersoorten kunnen bij opname door niet immune dieren ziekte veroorzaken. Uit een onderzoek van Drs. Annemieke Calis in 2009 is gebleken dat van de 117 onderzochte jaarlingen en oudere paarden 98,3 % positief getest werd op de aanwezigheid van antistoffen tegen Lawsonia intracellularis. Dit zegt evenwel niets of een paard ziek is of uitscheider, maar dieren zonder imnumiteit lopen zeker risico. Bij verdenking van deze ziekte moet u onverwijld de dierenarts raadplegen om snel een behandeling te kunnen inzetten in een poging het veulen te redden.
Uiteraard is bovenstaande opsomming en informatie summier, maar in alle gevallen kan uw dierenarts u verder helpen. Voor nadere uitleg over maagdarmwormen en hun cyclus is de site www.parasietenwijzer.nl zeer aan te bevelen.

Spenen
Met 4 tot 6 maanden is het de leeftijd waarin het veulen gespeend wordt van de merrie. In de natuur gaat zoiets geleidelijker omdat het spenen veelal later plaatsvindt. Vanaf 4 maanden kan het veulen gespeend worden, maar is voor het veulen een stressmoment. Graag willen we een onbelemmerde doorgroei van het veulen, waarin stress zo veel mogelijk voorkomen moet worden. Het is daarom goed om voor de speendatum het veulen al regelmatig een paar uren of een nacht apart van de merrie te zetten. De merrie moet in een paar fasen het krachtvoer onthouden worden, om de melkproductie te laten afnemen. Dragende merries mogen echter niet langer dan 1 week zonder krachtvoer. Wateronthouding is uit oogpunt van dierenwelzijn onjuist. Het veulen moet in staat zijn om al voldoende kracht- en ruwvoer op te nemen. Zoniet dan nog 1 of 2 maanden wachten met spenen. Eigenlijk moeten veulens altijd in een groep van minimaal 2 gespeend worden voor beweging en sociale afleiding. Plaats de veulens en de merries dan ver genoeg van elkaar zodat ze elkaar niet kunnen horen. Na 1 dag zijn ze dan doorgaans rustig. Gespeende veulens zijn na het spenen vaak zeer onrustig. Zorg daarom dat veulens, die na het spenen in een grotere stal of box staan, zich daarin niet kunnen verwonden aan uitsteeksels of niet afgeschermde ruiten.


© Copyright Fokkersvereniging